Sommigen wilden het eerst niet geloven, anderen fronsten dan weer hun wenkbrauwen, maar inderdaad; het LVSV organiseerde in samenwerking met A.L.S. een marxistische avond. Op deze avond die kort werd ingeleid door professor Jan Dumolyn zou gediscussieerd worden over ‘de marxistische kritiek op de politieke economie’ Dat naar deze discussie lang is uitgekeken, was alleen al te merken aan de opkomst; ongeveer 60 aanwezigen troepten samen in het kleine LVSV-lokaaltje.
Dumoulyn begon zijn uiteenzetting met de relatie tussen marxisme en liberalisme te verduidelijken. Hij stelde dat het liberalisme op zich veel gemeen heeft met het marxisme, meer bepaald specifieke verlichtingsidealen. Marx zou ook de liberale economie verdedigd hebben als de beste manier om een samenleving tot ontwikkeling te brengen. Het verschil tussen het marxisme en het liberalisme is echter dat de eerste de liberale economie ziet als een tussenstadium om uiteindelijk tot een socialistische samenleving uit te groeien terwijl die laatste het ziet als een einddoel an sich. Deze economische fasen zijn uiteindelijk in Marx zijn werk weinig ideologisch geladen, maar een historische werkelijkheid die zich volgens de Duitse denker sowieso zou afspelen.
Daarmee ging Dumolyn over naar zijn volgende punt; het marxisme is geen dogma, het is meer een (historisch) interpretatiekader. Marx zelve zou zich hebben afgezet tegen de zogenaamde dogmatische marxisten door te stellen, dat ‘hij zelf geen marxist was’. Zijn ideëen kunnen immers niet geincorporeerd worden in een dwingende ideologie die dan een bepaalde politieke maatschappij moet voorstellen of nastreven. In ‘Das Kapital’ zou Marx, volgens Dumolyn, maar zes bladzijden verspild hebben aan hoe een samenleving er moet uit zien. Het is dan ook een jammerlijke historisch gegeven dat veel marxisten de theoriën van Marx gereduceerd hebben tot dat ene gegeven.
Dumolyn zette zich dan ook direct af van de planeconomieën die de Sovjetunie en andere communistische landen gekend hebben omdat hij die als marxist niet moet en zal verdedigen. Het marxisme, zoals het geïnterpreteerd moet worden, is immers niet op zoek naar een centraal comité om alles te gaan plannen en ziet ook de onvolkomendheden in dergelijke planningseconomie. Dumolyn spreekt dan ook nadrukkelijk van een soort marktwerking die nog altijd relevant kan zijn binnen een socialistische economie. Hij benoemt het als een soort van socialistische markteconomie.
Waarop die socialistische markteconomie dan gebaseerd moet zijn, zijn enkele fundamentele gegevens die door marx, maar vooral door zijn voorgangers (Ricardo en Smith o.a.) opgeworpen zijn. De arbeidswaardetheorie is er één van; de gedachte dat de waarde van een product bepaald wordt aan de hoeveelheid arbeid die ervoor nodig is om het te vervaardigen. Waar de kapitalisten dus de markt vooruitschuiven, vertrekken de marxisten vanuit het gegeven van arbeid. Een ander gegeven dat daaruit volgt is het systeem van arbeidersuitbuiting die, volgens Dumolyn inherent is aan het kapitalisme. Hij haalde het verhaal aan van de kleine Najib (fictief persoon) ergens in azië die 14 uur per dag moet werken en in die tijd 10 euro aan producten vervaardigt geeft. Het eindresultaat van de dag is dat Najib daarvoor 50 cent loon ontvangt terwijl de werkgever van Najib uiteindelijk de rest opstrijkt zonder dat die de arbeid om tot het product te komen geeft moeten uitvoeren. De arbeider is in deze situatie, volgens Dumolyn, duidelijk uitgebuit en dat voor de som van 9,5 euro waartegenover geen reële arbeid stond.
Het moet gezegd zijnde dat Dumolyn in zijn, overings amusante, inleiding een sterke analyse maakte van zowel de interpretatie van het marxisme, als enkele fundamentele uitgangspunten ervan. Ondanks die grondige lezing zaten er echter enkele typische uitschieters tussen waarin marxisten zich al eens vaak in laten gedijen. Zo liet Dumolyn het niet liggen om nog vlug de hypocrisie van het kapitalisme in de laatste crisis uiteen te zetten. Hij had het over hoe de banken en veel multinationals, éénmaal de economie in crisis is, geholpen moesten worden met grote sommen overheidsgeld. Dumolyn stelde dat wanneer dergelijke zaken moeten gebeuren, er geen liberale kritiek is om die aan te kaarten. Hij meende daarom ook de inconsequentie van het liberalisme ontdekt te hebben. Dat is echter een jammerlijke stelling, want het LVSV, wat duidelijk blijkt uit publicaties in het neohumanisme, is altijd op de barricades blijven staan om dergelijk wandaden aan te klagen, terwijl een grote groep consequent liberale denkers, die Dumolyn waarschijnlijk ontgaan is, net hetzelfde heeft gedaan. Dat is dan ook een kapitale fout die hij in zijn hele verhaal maakte, namelijk het zogenaamde ‘liberale beleid’ van de laatste decenia gelijkstellen met het liberale denken, als zou het ene voortvloeien uit het andere. Iets wat duidelijk niet zo is en wat ook zou blijken in de discussie.
Dumolyn had alvast stof genoeg gegeven voor een in vele aspecten interessante discussie. Eerst kwamen de klassieke tegenargumenten op tafel. Zo werd over de arbeidswaardetheorie gesteld dat die historisch al lang achterhaald is door de subjectieve waardetheorie. Die stelt dat de waarde van een product ligt in de waardering van de consument, namelijk hoe hij het product dat hij wil kopen valueert ten opzicht van hetgeen wat hij ervoor zal geven. Men kan immers 10u arbeid steken in het bouwen van een zandkasteel enerzijds en in het maken van een taart anderzijds, het resultaat van die arbeid zal niet hetzelfde zijn omdat de eigenlijke consument de afgewerkte producten anders zal waarderen. Een andere kritiek was dat de arbeidswaardetheorie uitgaat van een zekere stabiele economische situatie, die volgens enkelen uit het publiek niet strookt met de realiteit. De prijs van een bloemkool kan bijvoorbeeld op het ene moment 2 euro zijn, maar wanneer plots 10.000 bloemkolen uit Polen komen, zakken naar 10 cent terwijl er niet minder arbeid in is gestoken. De prijs van goederen verandert voortdurend en situaties waarin een Rolls Royce goedkoper zou worden dan een bloemkool zijn dan ook niet uit te sluiten. Want bij bijvoorbeeld een grote hongersnood waarderen personen bloemkolen hoger dan Rolls Royces. De prijs van goederen is niet te zoeken in de geleverde arbeid, maar in de subkectieve waarde van het product. Dumolyn anticipeerde hier maar matig, omdat hij de geleverde kritieken als valabel beschouwde. Hij stelde echter dat die specifieke voorbeelden het grote verhaal van een globale economie ontzien waarin volgens hem, wel een zekere stabiliteit heerst en waarin prijzen altijd op een zeker niveau terugkomen. Maar verder ging hij er niet op in, wat jammer was.
De liberalen in het publiek gingen dan ook verder door te stellen dat we niet altijd van uitbuiting kunnen spreken als het over de relatie werkgever-arbeider gaat. Hoewel de kleine Najib natuurlijk te weinig verdient omdat hij in een primitieve economie functioneert, kan gesteld worden dat hij niet in het geheel uitgebuit wordt. De werkgever voorzag immers de grondstoffen en het kapitaal om tot de productie te kunnen overgaan waarin Najib functioneert. De winst die een investeerder maakt worden verder nog bepaald door bepaalde factoren, waarvan er drie zijn; de risico’s die een investeerder neemt (wanneer bvb niet alle producten verkocht geraken), het tijdsaspect (loon nu betalen, maar product wordt pas jaar later verkocht) en de creativiteit die beloond wordt (bijvoorbeeld de vindingrijkheid om nieuwe markten aan te snijden) Daarom werd gesteld dat niet iedere vorm van arbeid ook direct gepaard gaat met een vorm van uitbuiting. Men zou het ook anders kunnen stellen, zo werd in het publiek aangehaald, namelijk de situatie waarin een werkgever de arbeider 50 cent betaald heeft, maar de producten die door diens arbeid vervaardigt zijn, door omstandigheden, niet verkocht geraken. Is in dit geval de werkgever dan uitgebuit door de werknemer?
Gegevens als die van de kleine Najib moeten gezien worden in een economisch proces en niet als een situatie an sich. In een primitieve economie die nog volop in ontwikkeling is, komen dergelijke zaken zeker en vast voor. Maar dergelijke economische werkelijkheid kan al snel uitgroeien tot een betere situatie, zoals de eigen Belgische geschiedenis heeft uitgewezen. Als het er op aan komt is, zo stelden enkele uit het publiek, het kapitalisme de beste methode om productiefactoren te alloceren en op die manier tot een zekere vorm van ontwikkeling te komen die ook voor de kleine Najib hoopgevend kan zijn. Een ander voorbeeld die werd aangehaald is een bedrijf in Zeeuws Vlaanderen waar 100 mensen werken en waar niemand aangesloten is in een vakbond en niet ontevreden is over de situatie waarin en de condities waaronder ze werken. De vraag blijft dan ook of we in dergelijke situatie, die waarschijnlijk meer voorkomt dat de situatie van Najib, spreken van uitbuiting, aangezien er een goede werkgever-werknemer relatie is. Ook op dit punt, de veronderstelling van uitbuiting, ging Dumolyn niet volledig op in. Hij zette zichzelf al vlug buiten strijd door te zeggen dat dit inderdaad valabele kritieken zijn, maar er verder weinig weerwerk tegen te bieden.
Waar hij wel een punt probeerde te maken is door bepaalde excessen van het huidige systeem aan te kaarten. Dat deed hij door een voorbeeld van de GSM-industrie aan te halen, aangezien in alle GSM’s een product zit dat alleen in Congo te vinden is en dat door repressie van bepaalde militaire groeperingen tot in de westerse productieprocessen geraakt. Hij legde dus de link tussen bloederige taferelen in Congo en het westerse consumentisme. ‘Schaarste leidt tot interventionisme’ stelde hij tenslotte. Dat dergelijke zaken reactie zouden uitlokken was zeker. Een eerste kritiek die kwam is dat het liberalisme een bepaalde moraliteit bezit waarvan de bloedige taferelen in Congo geen deel van uitmaken. Er werd dan ook nadrukkelijk gedistantieerd van dergelijke gevallen. En schaarste zou trouwens niet noodzakelijk tot repressie en interventionisme moeten leiden. In een kapitalistisch systeem, waarin de Congolezen ook eigenaar zijn van de grond die ze bewonen en niet door militairen gegijzeld worden, zouden westerse Gsm-fabrikanten moeten betalen aan de Congolezen zelf om de grondstoffen te verkrijgen die op hun grond kunnen worden gedolven. Economische interactie is een kwalitatief alternatief voor repressie en interventionionisme. Dat laatste is immers vaak ontstaan in de logica van machtsuitbreidende overheden en niet in de logica van het kapitalistische systeem. Zo is het zeker dat bijvoorbeeld de schaarste aan olie tot specifieke repressie en interventionsime leidt, maar de vraag is of grote en machtige overheidsapparaten, eerder dan het kapitalisme, hiervoor verantwoordelijk kunnen worden gesteld?
Dumolyn deed in die trant nog wat opmerkelijke opmerkingen , namelijk dat de dictatuur van Pinochet in Chili een experiment was van Amerikaanse kapitalisten, genre Friedman. En dat het beleid van Chavez in Venezuela waarschijnlijk te verkiezen is boven een beleid waar multinationals het voor het zeggen zouden hebben. Typische marxistische argumenten dus waar we kort over kunnen zijn. De relatie tussen Pinochet en Milton Friedman is discutabel, maar indien het enige waarheid zou bevatten, dan is het duidelijk dat consequente liberalen zich van dergelijke zaken zullen distantiëren en dat is ook de reden waarom Milton Friedman een moeilijk gegeven is binnen de liberale traditie. Over Venezuale is waarschijnlijk een langdurige analyse nodig, maar toch even het volgende; multinationals zouden uiteindelijk gebaat zijn bij goed opgeleide en gezonde burgers, omdat dat hun productie zou opkrikken, terwijl Chavez net bij het omgekeerde baat heeft; domme en hulpbehoevende burgers, omdat hij daarmee zijn eigen beleid kan legitimeren. Ik weet alvast zelf wat te verkiezen!
Enkele opmerkingen in het publiek gingen dan verder nog over hoe de historische empirische waarneming aan de kant van het liberalisme staat, gezien vele socialistische revoluties tot ware ramptaferelen zijn uitgelopen, terwijl veel meer liberale landen een zekere welvaart kennen en daarnaast ook een groot aantal aan kritische individuen. De Chavez verdediging van hierboven en de stelling dat China toch de goeie kant op gaat, die Dumolyn opwierp, waren niet echt overtuigend.
De laatste opmerking uit het publiek was dat er een fundamenteel probleem is met het marxistische denken in vergelijking met het liberale denken. Binnen het liberale denken worden constant morele oordelen geveld over wat te verkiezen is en wat niet. Vanuit dergelijke beoordeling volgt het voorspiegelen van een situatie waar we naartoe willen met de samenleving. De marxisten daarentegen verschuilen zich te vaak achter het analysekader dat het marxisme pretendeert te zijn. Maar het is onmogelijk om binnen een, overigens al specifiek afgebakend, analysekader geen morele oordelen te vellen, dus moet het marxisme ergens wel aangeven welke richting ze uitwillen. En dat was hetgeen wat we bij Dumolyn, en overigens bij vele andere hedendaagse marxisten, te weinig hebben ervaren. Enerzijds worden wel boute stellingen gedaan en word wel afgezet tegen het bestaande ‘kapitalistische’ systeem, maar anderzijds is het alternatief, de eigen morele beoordeling, te vaak afwezig.
Met deze mooie woorden kon de activiteit afgesloten worden. Er werd kort nog wat nagedronken en er werden nog boeken van Bastiat, Mises en andere liberale denkers verkocht. Na de rode avond volgde de blauwe nacht, met een afsluitende Blue Fever Party in Les Bleu waar de discussies nog urenlang werden verdergezet, dan wel of niet gesteund met de lichte beneveling van cocktails, jeneverschotjes en bier.
(n.v.d.a: bovenstaande tekst is geen objectief verslag over wat er gebeurd is en moet dan ook niet op die manier beoordeeld worden. Het is daarentegen meer een opinie van de avond vanuit een welbepaald kader, het klassiek liberale van de auteur. Net daarom zal je opmerken dat de subjectieve mening van de auteur vaak tussen de alinea’s doorkruipt. Diegenen die een objectief verslag wilden, hadden er zelf bij moeten zijn, want kwalitatieve activiteiten als de rode avond moeten zeker en vast ook bijgewoond, eerder dan alleen nagelezen worden)
